Leraren doen het niet voor het geld

                                                                                





Onderwijskundigen

Geloof me vrij, in het gewone leven, en daarmee bedoel ik de momenten dat ik niet schrijf, ben ik een aimabel mens, verdraagzaam, goedertieren, behulpzaam, ja zelfs een beetje verlegen en sullig. Maar zodra ik een pen op papier zet en de inkt rijkelijk begint te vloeien word ik een beest dat geen weet heeft van zijn eigen krachten. Ik kan soms van mezelf schrikken als ik zie hoe ik op het maagdelijk witte papier tekeer ga. Maar het zij zo. Slijmerig proza naar al de betweters heeft iets weg van liefdadigheid en is zoals warme chocolademelk, het proeft heerlijk, maar als je er te veel van drinkt wordt je misselijk en kan je de braakneigingen niet onderdrukken. Maar laat ik er vooral de nadruk op leggen dat ik in de normale omgang heel menslievend ben.

In mijn dagelijkse werkzaamheden van de afgelopen twintig jaar ontmoette ik veel al dan niet zelfbenoemde onderwijskundigen en onderwijsdeskundigen. Het merendeel had en heeft nog nooit de volle geneugte mogen proeven om voor een klas te staan, maar weten verduiveld goed hoe ik mij als docent tegenover het niet al te leergierig grut moet gedragen. Allen hadden ze dat neerbuigende, dat betweterige, dat ordinaire ‘doe nou maar wat ik zeg, dan komt het allemaal wel goed’- toontje. Nee, ik lieg. Een paar uitzonderingen waren er, op één hand te tellen, en na een tijdje kwam ik ze niet meer tegen. Er uit gestapt. Uit het onderwijs bedoel ik. Hun namen werden met evenveel neerbuigendheid, betweterigheid, arrogantie en een meewarige glimlach door hun nieuwe soortgenoten uitgesproken.

De onderwijskunde was een ‘dienende’ kunde. Onderwijskundigen waren in vroeger tijden dienaars. Daar stak iets nobels in, daar stak je als docent wat van op, daar leerde je nog wat van. De onderwijskundigen van vandaag zijn echter verlengstukken geworden van de bestuurderstafels en de almaar groeiende onderwijsbureaucratie. Wanneer de onderwijskundige een opdracht krijgt om nieuw onderwijs te ontwerpen, dan projecteert hij het reeds bestaande kneuterige en niet werkend concept op zijn volgende slachtoffer. De onderwijskundige heeft de pose van een reclamebureau en een psychiater, zoveel mogelijk geld verdienen met één theorietje met de invalshoek van een winderig paradigma dat de vergelijking met een scheet in een netje met gemak kan doorstaan. Een onderwijskundige verkoopt duizend maal hetzelfde idee, hij is de vleesgeworden fantasieloosheid die de gerafelde en verdorde halmen van reeds lang overleden onderwijspsychologen herkauwen en ons voorschotelen als ‘het nieuwe leren’ dat Nederland ‘klaar maakt voor de toekomst’.

Zijn nu die onderwijskundigen met hun litanie van intelligentie, zelfredzaamheid, zelfstandigheid, competenties, adaptief, cognitief, selectief en andersoortig onderwijs een nieuwe kaste van onderwijsvernielers? Zijn zij verantwoordelijk voor de duizenden docenten die het onderwijs gefrustreerd, ziek en tot op het bot vernederd hebben verlaten? Ik meen van niet. Verantwoordelijk zijn de bestuurders en hun gevolg die de opdrachten tot onderwijsverandering met een zelfingenomen krul die ze ‘hun signatuur’ noemen van een fiat voorzien. Niet wie het onderwijs ontwerpt maar hij die de opdracht tot ontwerpen geeft is verantwoordelijk. Het is moeilijk de onderwijskundige iets kwalijk te nemen. Onderwijskundigen ontwerpen onderwijs en blijven onderwijs ontwerpen. Dat ligt in hun aard. Daar waar ze de kans krijgen veranderen ze het onderwijs. Op last van bestuurder en onderwijsmanagement. En alleen dat wat aan de zure smaak en winstgevende doeleinden van de bestuurder beantwoordt kan doorgaan. Het onderwijs zoals het er nu uitziet is het onderwijs zoals het door de onderwijsregentenkliek is goedgekeurd en die de ziel weerspiegelt van de grijpgrage bestuurder.

Dit is misdadig omdat onderwijsverandering onherroepelijk is. Er is geen sprake van een jaarlijkse aanpassing of evaluatie. Wat ingevoerd is, is ingevoerd. Wat eerst één of twee pompeuze handtekeningen zijn op een stuk geborneerd papier is na een aantal jaren een onafzienbaar diep dal van diplomafraude, non-competenties, leerstijlen, bestuurlijke chaos, ongediplomeerde leerlingen, voortijdige schoolverlaters, een groeiend cohort functioneel analfabeten en ‘kinderen met een stempel’. En dat moet de onderwijskundige beseffen. Een kunstschilder schildert kunst en elk jaar komen er duizenden schilderijen bij. Maar toch zullen na tientallen jaren twee misschien drie schilderijen genesteld zijn in het collectief geheugen. Met de onderwijskundigen is het anders gesteld. Hun onderwijsvernieuwingen zijn er en blijven. Wij raken de mensonterende onderwijsvernieuwingen de eerstkomende generaties niet meer kwijt. Schilders, schrijvers, componisten, laat ze hun gang gaan. Een slecht schilderij komt terecht in de kelders van het museum, een slecht boek verzamelt gele bladzijden in de uitleenbibliotheek en een slecht muziekstuk wordt nog aanhoort door drie kwezelige oude dames. Maar de onderwijskundige is brutaal en zijn vernieuwingen raken ons allemaal, het is onomkeerbaar en werpt ons in de kennisloze duisternis van twee eeuwen geleden.

Het wordt de hoogste tijd dat we de onderwijskundigen verbieden om nog onderwijs te ontwerpen voor levende mensen. Ze zijn de kadavers van hun eigen revolutie geworden en ontwerpen onderwijs van het verleden dat reeds lang dood en begraven is. Weg ermee, laten we ze te werk stellen in onze crematoria en begraafplaatsen.

J. Jeronimoon