Columns onderwijs







Datum: 7-02-2012
  Graaien, graaien, graaien.



Een verbijsterend zwartboek MBO. Een toonbeeld van hoe grijpgrage bestuurderen de MBO scholier uitkleden, afknijpen, uitschudden en oplichten om nog meer eurootjes binnen te rijven. Dat het geen peanuts is blijkt wel uit de bedragen die scholen rekenen voor een vrijwillig verplichte bijdragen aan verschillende bijkomende schoolkosten. Het gaat om bedragen tussen de 450 en 850 euro per jaar. Als u bedenkt dat een beetje ROC zoals de noodlijdende stichting Amarantis al snel een deelnemer of tienduizend heeft, dan gaat het hier om bedragen tussen de 4.500.000 en 8.500.000 per jaar.

De creativiteit van de grijprage bestuurder kent wat betreft het benoemen van ‘bijkomende kosten’ geen grenzen. Ze bedenken een uitermate ingewikkeld pasjessysteem om zogenaamd de veiligheid binnen de gebouwen te vergroten want een pasje is nodig om door de tourniquets te komen. Vooruitstrevend als de bestuurder is heeft hij daarbij ook gedacht aan de uitvoerige mogelijkheden die zo een pasje te bieden heeft. Een digitaal aanwezigheidslijstje, immers het binnen en buitengaan kan worden geregistreerd. Ook kan het dienst doen als examenpasje, dus zonder pasje geen examen, als copypasje, restaurantpasje, en op sommige ROC’s kan het zelfs dienen als betaalpasje bij te laden zoals een chipknip. Voordeel van dit multifunctioneel pasje is het opknippen van de vrijwillige verplichte bijdrage. Een bedragje voor het pasje, een bedragje voor als het pasje verloren wordt, een bedragje voor de copymachine, voor de toegang tot de examenzaal, voor het gebruik van de chipknip, het lijken verdorie wel bankbestuurderen, die sturen tegenwoordig ook een rekening voor het gebruik van de betaalrekening.

Een directeur van een ROC in Tilburg vond het een prima manier om zijn zakken, excuseer de rekeningen van het college te voldoen want geld was er altijd wel nodig. Hij vond dat de deelnemer niet moet zeuren en dat de verplichte vrijwillige bijdrage gebruikt werd om het gebouw te onderhouden, het primaire proces te ondersteunen en nog zo wat andere belangrijke zaken waar hij volgens eigen zeggen te weinig geld van de overheid voor kreeg.

Eigenaardig bij dit alles is het enige feit dat een ROC in het Zuiden van het land 64 miljoen op de bank heeft staan en op hetzelfde moment een ROC in Amsterdam naar alle waarschijnlijkheid tientallen miljoenen tekort komt en voorzichtige berekening al heeft uitgewezen dat alle ROC’s tesamen een miljardje of vier her en der op rekeningen, spaarbankboekjes, beleggingsproducten en al de andere winstvervierdubbelaars heeft staan.

Dank zij het zwartboek van het MBO wordt één ding duidelijk namelijk dat niemand meer weet hoeveel, waarheen, door wie en waarom er jaarlijks miljarden en miljarden overheidsgeld doorheen worden gejaagd binnen de muren van de onderwijsinstituten. Dat kan alleen maar omdat zowat negentig procent van de ROC’s zich bekeerd hebben tot het bijzondere onderwijs waardoor alle gelden verdwijnen in de pot van een stichting. Het grote voordeel van een stichting is namelijk dat ze niet onder de wet openbaarheid van bestuur valt. Waardoor niemand de boeken kan en mag inkijken zonder toestemming van diezelfde graaiende bestuurder die elke deelnemer zonder enige schaamte geld uit de zakken klopt voor schimmige diensten die nergens voor nodig zijn.

Nog effe en de toiletjuffrouw wordt ingevoerd in het ROC want dat blijkt op dit moment zowat het enige te zijn wat binnen het schoolgebouw nog gratis kan.



Jesse Jeronimoon
----------
 
 
12-02-2012, reactie van Ineke
Correctie: het gehele mbo is bijzonder onderwijs. Er bestaat geen openbaar mbo. In de bible belt hanteert een mbo school wel de benaming openbaar, maar dat is juridisch niet juist. Toen ik hier navraag naar deed, stelde de school dat ze hiermee aangaf voor alle soorten gelovigen en niet-gelovigen toegankelijk te zijn, dat voor hun school openbaar op die wijze moet worden verstaan. Maar openbaar mbo bestaat er in juridisch zin dus niet. Verder prima stuk, uit het hart gegrepen!
  ----------
Datum: 2-02-2012
 
  Zuster Marja en de omhooggevallen docent.



Een docent die in zijn vrije tijd een beetje bestuurslid speelt bij de AOB is voor mij een omhooggevallen docent. Net zo omhooggevallen als de gymdocent met managerstaken. En net zoals de gymdocent met managerstaken die het opeens heeft over ‘het personeel’ in plaats van ‘de collega’s’ en over ‘communiceren’ in plaats van praten, gedraagt het AOB bestuurslid zich ‘omhooggevallen’ tegenover de minister. ‘Haal naar beneden wat te hoog is’ schijnt de man zijn devies te zijn en velen lachten in hun vuistje toen de onbenul het nodig vond om de minister een domme trut te vinden.

Laat nou een paar weken voor de gewraakte uitspraak van het AOB bestuurslid in de volkskrant een column verschijnen van Ferry Haan waarin hij aangeeft dat de docent niet zozeer poen wil, en dat die vakantiedagen niet zozeer het onderwerp zijn maar de docent wil vooral respect. Respect voor zijn vak, respect voor zijn persoontje als docent, respect voor hem en zijn leerlingen. Je zal maar lid zijn van die vakbond die het niet alleen nodig vindt om de minister belachelijk te maken maar door zijn uitspraak fijntjes de 20000 stakers laat weten dat het wat hem betreft niet ging over de vakantiedagen, niet ging over de urennorm, niet eens ging over respect voor docent en vak, maar bij hem bleek het dus alleen maar een politieke actie te zijn met als hoogtepunt het beschadigen van de minister.

Drescher, de grote baas van de AOB, ging eerst nog achter de omhooggevallen docent en zijn uitspraken staan, probeerde nog iets van de persoon Bijsterveldt en de minister Bijsterveldt zijn twee verschillende personen maar trok snel zijn keutel in toen deze minister op haar strepen bleef staan. Logisch want de AOB maakt deel uit van de onderwijscoöperatie, u weet wel dat commissietje voor en door de leraren met aan het hoofd de voorzitter van de raad van bestuur van een hele grote school (sic), en daar moet de AOB nog zaken doen met de minister.

Vorige staatsecretaresse van onderwijs mevr. Dijksma is trouwens ook niet te verdenken van enige intellectualiteit. Net een diplomaatje VWO en dat is het dan ook. En wat gedacht van T. Netelenbos? Mulo en de lerarenopleiding. En zo kunnen we naar waarschijnlijkheid een heel lang lijstje maken van oud- bewindslieden maar ook van huidige bestuurderen en leden van besturen zoals onze omhooggevallen docent.

Enfin, een domme uitspraak gedaan door een domme bestuurder annex docent naar aanleiding van een politieke demonstratie die gesteund en betaald werd door de werkgevers en waar 20.000 docenten hebben zich toe laten lenen. Diezelfde docenten zien straks hun pensioen gekort, met instemming van de pensioenbeheerders van de vakbond waaronder de zoon van politieke voorbeeld Den Uyl. Diezelfde docenten worden nog dagelijks misbruikt door hun bestuurderen dank zij het taakbeleid medebedacht door diezelfde AOB. Diezelfde docenten mogen zich straks bij de gratie van die AOB inschrijven in een lerarenregister , een lerarenregister dat mede onder toezicht staat van de AOB, kwestie van gratis en voor niks inzicht te hebben in een lijstje met álle namen en álle adressen van álle docenten in Nederland, dan pas gaan we het over een groteske gepersonaliseerde ledenwerving hebben. Diezelfde docenten worden straks overstelpt met het passend onderwijs en de richtlijnen daaromtrent opgesteld door de onderwijsraden en dáár hoor ik de AOB niet over.

Weet je wat ik raar vind? Toen onze vorige minister, je weet wel die van feesten en partijen en wereldwijd geëerde wurmpjesonderzoeker , door de voorzitter van de VO raad Sjoerd Slagter in zijn nieuwjaarstoespraak neergezet werd als ‘de uitvinder van het warme water’, toen hoorde ik de AOB en de omhooggevallen docent-bestuurder niet. Zou de vriendschap tussen Sjoerd, Kate, ThomThom, en de AOB belangrijker zijn dan een goede verstandhouding met de minister?



J. Jeronimoon
----------
 
 
12-02-2012, reactie van Ineke
Correctie: het gehele mbo is bijzonder onderwijs. Er bestaat geen openbaar mbo. In de bible belt hanteert een mbo school wel de benaming openbaar, maar dat is juridisch niet juist. Toen ik hier navraag naar deed, stelde de school dat ze hiermee aangaf voor alle soorten gelovigen en niet-gelovigen toegankelijk te zijn, dat voor hun school openbaar op die wijze moet worden verstaan.
Maar openbaar mbo bestaat er in juridisch zin dus niet.
Verder prima stuk, uit het hart gegrepen!
  ----------
Datum: 1-02-2012
 
  Ongepast passend onderwijs



Al een tijdje vroeg ik mij af wat het verschil is tussen ‘weer samen naar school’ en het nieuwe ‘passend onderwijs’. Iedereen met kennis van zaken die ik het vroeg maakte er mij op attent dat door de wet op het ‘passend onderwijs’ de ‘zorgplicht’ van de onderwijsinstelling verankerd werd in de wet. Met de invoering van het passend onderwijs , en dat was bij WSNS anders, is de onderwijsinstelling verantwoordelijk en aanspreekbaar op de ‘goede zorg’ voor de leerling die al dan niet een beperking van welke aard dan ook heeft. Nog een verandering is dat het passend onderwijs geldt voor zowel het Basisonderwijs, als het voortgezet onderwijs, als het middelbaar beroepsonderwijs. Al bij al een goede zaak dus dat passend onderwijs, volgens de ingewijden en onze minister bespaart ook nog eens een 300 miljoen, om het met de woorden van ‘de snor’ te zeggen, Doen!

Tot ik het ‘referentiekader passend onderwijs’ opgesteld door de PO-raad, VO-raad, AOC-raad en MBO-raad onder ogen kreeg. Een referentiekader waarmee onze minister uitgelegd wordt hoe de hazen gaan lopen bij de invoering van het passend onderwijs. Misschien mag ik geen voorspelling doen maar ik zou onze minister willen adviseren nog even goed na te denken alvorens de wet in stemming te brengen want misschien ziet de wet er wel goed uit, wat betreft de uitvoering van de wet hebben de raden nu al de handen in elkaar geslagen om zoveel mogelijk onderwijspoet binnen te slepen. Dat wordt geen 300 miljoen in mindering, dat wordt op termijn een schadepost van minstens twee miljard. Wat is er aan de hand?

Ik voelde eigenlijk wel al een beetje nattigheid toen de minister een jaartje of wat geleden het hele concept van WSNS naar de prullenmand verwees en de samenwerkingsverbanden overeind hield om desgewenst uitvoering te geven aan de nieuwe wet. De grootste slokkoppen bij WSNS wat betreft wegsluizen overheidsgeld waren namelijk die samenwerkingsverbanden. Een geheel van bureaucratie dat ging over de toewijzing van rugzakjes, ambulante begeleiding, remedial teaching, diagnosticering, signalering en al de rest dat kwam kijken bij het labelen van een zorgleerling.

De verhalen over de traagheid van de besluitvorming omtrent de zorgleerling zijn niet uit de lucht gegrepen, met als gevolg dat na verloop van tijd ouders met behulp van het Persoonsgebonden Budget zelf op zoek gingen naar de nodige hulp voor hun zorgkind. Dat werd met lede ogen door zowel de schoolbestuurderen als de samenwerkingsverbanden aanzien. Al dat geld dat eigenlijk voor hun schatkistje bestemd was, lekte zo maar weg. Naar ZZP’ers dan nog wel. Zelfbenoemde pedagogen, orthopedagogen, remedial teachers, speciale rekendocenten, speciale taaldocenten, het rijtje is eindeloos lang, en al dat geld voor deze hulp verdween in de zakken van de hulpverlener die uiteindelijk, volgens de samenwerkingsverbanden, niet verantwoordelijk, laat staan aanspreekbaar was op resultaat.

In het ‘referentiekader passend onderwijs’ wordt dan ook korte metten gemaakt met die al dan niet zelfbenoemde gogen en hulpverleners. Het geld moet weer naar waar het werkelijk moet, de bureaucratie van de bestuurderen, de graaiers en zakkenvullers van het onderwijs. En het moet gezegd, de voorzitters van de raden zijn niet egoistisch deze keer. De kerstboom van bureaucratie die opgetuigd wordt laat ook anderen delen in de opbrengsten. Gemeenten, GGZ, Jeugd en gezin, verslavingszorg, jeugdzorg, MEE, en nog een aantal anderen mogen meedelen in de poet. Iedereen mag een steentje bijdragen aan de wettelijke ‘zorgplicht’ maar wel een steentje dat duur betaald zal moeten worden en straks over enkele jaartjes als een molensteen om de nek van de minister zal hangen. Ik schat het op een molensteentje van een miljardje of twee, en groeiende. Want zeg nou zelf, de wet op het passend onderwijs is niet meer of minder dan een papieren tijger. Een papieren tijger waardoor een al dan niet effectieve hulpverlener de toegang tot de scholen en de zorgleerling wordt ontzegd, dus automatisch ook de vrije keuze van zorgverlener, opbrengst voor de minister 300 miljoen eurietjes.

En de raden met aan hun hoofd de Slagtertjes en de Kervezeetjes van deze tijd vinden het nodig om de papieren tijger op te sluiten in een gouden kooi ter waarde van minimaal twee miljard, want de gouden kooi is voorzien van heel veel staven, en die moeten allemaal betaald worden.



Jesse Jeronimoon




----------
 
Datum: 23-01-2012
 
  Een andere kijk op 1040 uur



De AOB lijkt succes te hebben met de oproep tot een landelijke stakingsdag op 26 januari 2012. Zij verwachten duizenden docenten in de jaarbeurshallen in Utrecht die het uit zullen schreeuwen tegen de week korting op de vakantie en tegen de voorgestelde 1040 uur. In een vorige bijdrage ( zie ‘het is het taakbeleid. Domoor!) heb ik al een beetje uitgelegd waarom ik niet vóór de staking ben, dus in principe vóór de 1040 uur. Wat in wezen hetzelfde aantal uren is dan nu, wat dat betreft verandert er voor de docent weinig tot niets. Verbazingwekkend vond ik de oproep van Beter Onderwijs Nederland die zich achter de staking schaart. Blijkbaar een moment van verstandsverbijstering en toch niet zo goed op de hoogte van hoe de bestuurder en Sjoerd denken over deze staking, de week minder vakantie en als het aan Sjoerd ligt, de verlaging naar 1000 uur.

In 2009 blokletterde de commissie Cornielje dat een weekje minder vakantie de oplossing zou zijn voor de grote werkdruk in het VO. Cornielje die ook al geen kaas had gegeten van het taakbeleid had zijn oortjes te luisteren gelegd bij Sjoerd en zijn kornuiten, om al snel het aantal jaloersmakende vakantiedagen in te korten. Jammer genoeg reageerde binnen het onderwijs, AOB en CNV niemand op de conclusies van Cornielje en trawanten.

Ik heb een tijde op de managersstoel mogen zitten en heb ontzettend snel en veel geleerd omtrent het denken van de bestuurdersslangenkuil en ik kan mij zo voorstellen dat zij de staking met hart en ziel ondersteunen, toejuichen en met een gelukzalig gevoel op de 26e januari de schoolpoort gesloten houden. Nog nooit stond het front van werkgevers en werknemers zij aan zij om een regering ervan te overtuigen, in dit geval de eerste kamer, niet in te stemmen met een wetsvoorstel. Wat is er aan de hand?

Een bestuurder rekent namelijk anders dan de docent. Een docent die alles weet van horen zeggen, want hij heeft geen tijd om de wettekst te bestuderen, heeft van horen zeggen dat hij een week vakantie kwijt is. Dat ondertussen door de AOB alles in het werk wordt gesteld om langs CAO- weg een en ander te compenseren is blijkbaar nog niet doorgedrongen tot de lerarenkamers. Het LAKS roept alsmaar dat de 1040 ingevuld zullen worden met ophokuren maar houdt zich voor de rest gedeisd want o jee de leerlingen oproepen om massaal op het schoolplein te gaan zitten in plaats van in het ophokuurlokaal is hen een brug te ver. En de bestuurders ziet het glimlachend en handenwrijvend aan wan de bestuurder rekent in Fte’s, of te wel de lerareninzet in zijn school.

Laten we eens kijken wel effect een vermindering van het aantal lesuren voor de leerlingen van 1040 naar 1000 uur teweeg zal brengen. Op een school van duizend leerlingen, rekent een bestuurder ongeveer 42 fte inzet om de 1040 uur rond te krijgen. Om 1000 lesuren in te vullen en met een week minder vakantie voor de docent is er een inzet nodig van 40 fte. Dat is dus 2 Fte minder. Anders gezegd wanneer de werkgevers en de werknemers hun zin krijgen zullen twee collega’s per duizend leerlingen geen vakantie hoeven in te leveren, ze krijgen namelijk voor altijd vakantie. Jaja, ik weet het, het is maar 2 fte en dat is dus op het totaal van iets minder dan 400.000 leerlingen in de twee eerste jaren van het VO ongeveer 800 full time banen die zullen verdwijnen, dus reken maar op een kleine 1200 docenten die dank zij deze staking straks het onderwijs mogen verlaten.

Zoals ik al dacht, je gelooft het niet. OK, ik heb voor jullie uitgezocht wat de gevolgen waren van de vorige lestijdvermindering in 2006 toen minister van der Hoeven de lestijd verkortte van 1067 uur naar 1040 uur. Vanaf het schooljaar 2007-2008 zien we een daling van het aantal docenten en een stijging van het aantal banen in de bureaucratie en nee dat ligt niet aan een dalend aantal leerlingen, integendeel zelfs. Vanaf 2007 is er een duidelijke stijging te zien en gaat de gemiddelde schoolgrootte van 1394 leerlingen in 2006 naar 1406 leerlingen in 2010 en alweer nee dit ligt niet aan het aantal fusies want het aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs steeg van 906000 naar 908400.

Conclusie van dit alles. De enige die wint bij het afblazen van het wetsvoorstel is de bestuurder. Hij kan weer een reorganisatietje uit de mouw schudden wegens te veel Fte’s, die week vakantie verdisconteerd hij in het taakbeleid zoals ik al aangaf in vorige column en de ophokuren blijven gewoon bestaan want er kunnen weer, dank zij de onderwijstijdvermindering, meer mensen aangenomen worden in de bureaucratie die ze eufemistisch ‘het onderwijsondersteunend personeel’ noemen. Het is trouwens ook nog eens zo dat ná de daling van het aantal uren in 2006 het aantal ophokuren is toegenomen.

Wanneer gaan de docenten, de AOB en de CNV nou eens staken voor iets wat wel de moeite loont, een loonsverhoging of zo, lijkt dat niet wat?



Jesse Jeronimoon


----------
 
Datum: 18-01-2012
 
  De onderwijsprofeten



Op een druilerige zondagmiddag durf ik als afleiding wel eens surfend over het wereldwijde web op zoek te gaan naar wat er zoal te koop is op het vlak van onderwijs en onderwijsvernieling. Telkens weer valt het mij op dat de diehards, de onderwijsproleten van de vernieling, een aantal zaken met elkaar gemeen hebben.



Om te beginnen zijn ze allen, bijna zonder uitzondering, de leeftijd van zestig ruimschoots gepasseerd. Een deel hebben eigenlijk al de pensioengerechtigde leeftijd bereikt maar hun hebzucht en eigenwaan blijken toch enorme struikelblokken te zijn om het voortaan maar een beetje rustiger aan te doen. Een paar zijn er zo trots op dat ze op hun leeftijd nog een aardig mondje mogen meepraten aan de onderwijstafel dat ze zonder enige schroom hun overvolle agenda in de etalage van hun website hebben geplaatst. We mogen ons er met zijn allen in verheugen dat het lezingencircus, de onderzoeksruif en de onderwijsopleidingssector veelvuldig gebruik maken van deze zelfbenoemde stokoude onderwijsdeskundologen die de onderwijsvernieling standvastig een ‘paradigmashift’ en ‘Nederland moet klaar zijn voor de toekomst’ blijven noemen. Onverminderd gaan ze door met hun artikelen des onderwijsgeloof over het nederige gelovige onderwijsmanagersvolk uit te gieten.



De mindere goden onder de proleten manifesteren zich met hun quasi intellectuele prietpraat op de verschillende onderwijsfora die het wereldwijde web rijk is. Ze wijzen daarbij de forumbezoeker op agressieve toon op het feit dat hij, de onderwijsproleet van dienst, beschikt over een oeverloos verstand van zaken, dit in de hoop vroeg of laat opgemerkt te worden door de bestuurdersmaffia waarna het grote adviesgraaien kan beginnen.



Allen hebben hun niet-onderwijs-opleiding genoten tijdens de jaren vijftig en zestig van vorige eeuw en hebben nooit ofte nimmer daarna nog een klaslokaal aan de binnenkant gezien, laat staan vóór een klas gestaan. Hun theorietjes over hoe het er in een klas aan toe gaat en hoe het Nederlandse onderwijsbestel er uit zou moeten zien, hebben ze uit boeken en citaten, of hebben zelf bedacht hoe het er een beetje aan toe gaat of aan toe zou moeten gaan. Bedenksels die volledig los staan van welke onderwijsrealiteit dan ook. Ze hebben nooit de geur van spanning geroken die er hangt in het tot examenlokaal omgetoverde turnzaal. Ze hebben geen enkel idee wat de dagelijkse onderwijspraktijk voor docent, juf, meester of leerling inhoudt.



Nog erger, de meesten van dit soort geloofsverkondigers hebben een uitgesproken haat tegen alles wat onderwijs geeft. Is het een trauma opgelopen tijdens hun eigen schooltijd? Is het een aangeboren antipathie tegen de beroepsgroep van docenten? Of is het niet meer of minder dan hebzucht? Immers aan de docentengroep valt niet veel te verdienen. Het zijn de bestuurderen, de managers, de minister en de staatsecretaris die, eenmaal het geloof van de onderwijsvernieling is nedergedaald, de knip trekt om het paradigmashift en zijn apostelen te voorzien van de nodige financiële middelen om het geloof verder te verkondigen. Docenten spelen daarin geen rol, integendeel, ze zijn met velen en het grootste obstakel bij de geloofsverkondiging, docenten mogen er alleen maar zijn om aan de artikelen des geloof en de geboden van het onderwijsvernieuwinggeloof uitvoering te geven, zonder vragen te stellen want de geloofsverkondiger ziet zichzelf als onfeilbaar.



Allen pleiten ze voor afschaffing van testen, toetsen, leerstofjaarklassensysteem, selectie aan de poort of tussentijds, toezicht, overheidsbemoeienis en pleiten voor nog veel meer autonomie. Begrijpelijk. Aangezien ze zelf tijdens hun studietijd de uitstekend werkende hobbels van testen, toetsen, selectie en toezicht hebben moeten doorstaan, en rekening houdende met het tijdskader ( zestiger jaren) is een test of een toetsje voor hen hét symbool van onderdrukking door ‘de gevestigde macht’ geworden. Nu ze zelf aan de macht zijn willen ze willekeur, totale willekeur zodat iedereen met een natte vinger kan bepalen op basis van hoegenaamd niets, wie wel en wie niet competent is. De gevolgen hiervan komen nu boven water, examenfraude, diplomafraude, dalende onderwijskwaliteit en een ‘tien’ voor een politiek pamflet dat ‘scriptie’ genoemd wordt.



Hun voornaamste bezigheid bestaat uit ‘citeren’ en ‘overschrijven’ natuurlijk met een verwijzing en dat is niet zozeer omdat ze geen auteursrecht willen schenden, dat zoen ze om de argeloze lezer er van te overtuigen hoe erudiet ze wel niet zijn. Een essaytje van een paginaatje of veertig over hun vernieuwend onderwijs heeft al snel een paginaatje of vijftien uitsluitend gewijd aan alle boekjes, boeken, geschriftjes, andere essaytjes, enzomeer, waaruit ze hebben overgeschreven. Een eigen idee of mening hoe onderwijs eruit moet zien hebben ze eigenlijk niet. Het is meer een ‘geknipt en geplakt’ paradigmashift waar ze zo graag over roeptoeteren. En het mooiste is natuurlijk als er tussen als die titels van opstelletjes ook nog een paar keer verwezen kan worden naar een eigen opstelletje dat ze honderd jaar geleden als studieobject hebben mogen neerpennen. Het heeft in het huidige tijdsgewricht geen enkele waarde meer egens al lang achtgerhaalde onzin, maar het staat toch intelligent. Toch?



En dan hun zogenaamde ‘zoektocht’ naar ‘talenten’. Wat ze onder ‘talent’ verstaan wordt nergens duidelijk. Wel weten ze hoe talenten te ontdekken zijn. Dat kan, volgens de proleet, door selectie instrumenten zoals de Cito-toets, de IQ test en de instroomtoets af te schaffen om elk kind ‘de kans te bieden zijn talenten tot ontplooiing te laten komen. Iets in de zin van ‘geen gezeik, iedereen rijk’. Een grotere voorstelling van hun onderwijsonbenul is niet mogelijk en laat zien dat hun onderwijstheorie en de dagelijkse onderwijspraktijk met elkaar vloeken als een ketter in de kerk. Maar het zal hun worst wezen, zolang er bestuurdersonbenullen rondlopen die denken dat op deze manier er geld te verdienen valt aan het onderwijs kunnen de proleten hun gang gaan.



Jesse Jeronimoon


----------
 
Datum: 16-01-2012
 
 
Bashen?

We moeten met zijn allen beseffen dat het Nederlandse Onderwijs van basisschool tot universiteit een speelbal is in de handen van netwerkende bestuurderen. Niet de onderwijzer, niet de docent, niet de hoogleraar en al zeker niet de ouders zijn eigenaren of de moderne ‘steakholder’. Ook niet het ministerie of de minister of staatsecretaris, ook al zouden ze dat willen, hebben zeggenschap over het Onderwijs. Zij zijn niet meer of minder dan ‘volgers’. Hun beslissingen en wetsvoorstellen zijn voorgekauwd kamervoer , het is niets meer of minder dan het uitvoeren van de ‘wensen’ van het lobbyend bedrijfsleven, raden van Primair Onderwijs, Voortgezet onderwijs, Middelbaar beroepsonderwijs, Hoger onderwijs en Universiteiten. Raden die zich in de loop van de afgelopen vijf á tien jaren dank zij tientallen miljoenen subsidiegelden steeds een groter maatpak aan konden meten. Een maatpak met opportunisme in de voering genaaid, windvanengedrag in de revers en diepe zakken.

Volstrekt ongevoelig voor enige vorm van kritiek beweegt de onderwijsbestuurder zich door zijn netwerkwereld en pikt daar waar het kan de krenten uit de pap, vooral hijzelf wordt er beter van. Een mogelijk tegengeluid wordt met een smalende glimlach en hooghartig afgedaan met een kort twitterberichtje dat door hun secretaresse wereldkundig wordt gemaakt. Op het hebben van een visie, een grotere kijk op het geheel de blik op de toekomst gericht zijn deze bestuurderen niet te betrappen. Meestal komen ze niet verder dan holle frasen zoals de leugen‘de generatie Einstein’, het knotsgekke ‘Kennis heeft een halfwaardetijd van drie jaar’, het hilarische ‘de samenleving is polyvalent en vloeibaar’ en het bedroevende ‘de school bestaat niet meer’.

De onderwijsbestuurder heeft zich ontpopt tot de regenteske werkgever die rond de vorige eeuwwisseling de allesbehalve holle frase ‘wij houden ze arm, hou jij ze dom’ in het banier voerde. De politiek, het bedrijfsleven en het onderwijs waren ook toen als was in de handen van deze regenten, het was niet meer of minder dan een kwestie van boetseren, uitknijpen en indien nodig weggooien. Elke vorm van tegenstand werd onmiddellijk de kop ingedrukt, twee wereldoorlogen gingen er over heen alvorens een coöperatie van arbeiders, de vakbond, sterk en krachtig genoeg was om op hetzelfde niveau van de werkgever een tegenspeler te worden. Een vakbond die op heden ontaard is in een samenraapsel van napratende en polderende opportunisten dromend van een politieke loopbaan in de tweede of eerste kamer. Hangend aan het pluche zijn ze de verpersoonlijking van de teloorgang van de arbeidersvuist. De werkvloer is als vanouds overgeleverd aan de grillen en luimen van de regenteske bestuurder.

Soms heel soms komt er een barst in de betonnen muur van ongenaakbaarheid en wordt de sjoemelende, hebberige en graaizuchtige patjepeeër die zich onderwijsbestuurder noemt zichtbaar. Voor hun dagelijkse deeltijdbaantje in het onderwijs willen zij méér betaald worden dan de premier van dit land inclusief auto met chauffeur om zich van de ene bestuurdersstoel naar de andere te begeven en natuurlijk een jaarlijkse bonus zoals de vrindjes bankbestuurderen. Een bonus omdat dank zij hun de onderwijsinstelling meer winst maakt. Winst ontstaan door een reorganisatie, het aantrekken van onbevoegd onbekwaam en onderbetaald personeel, het uitdelen van waardeloze diploma’s die de exit-vergoeding garanderen en nog vele zaken meer die het daglicht schuwen en verborgen zullen blijven omdat de bestuurder zich wentelt in de zekerheid dat zijn stichting geen verantwoording dient af te leggen.

Elk negatief bericht, zoals dit er een is, omtrent de onderwijsbestuurder wordt afgedaan als ‘populisme’ of ‘bashen’ en dat mag niet meer, omdat waarheid kwetst.

J. Jeronimoon

----------
 
 
18-01-2012, reactie van moby
Lekker losgaan, Jeronimoon. En je hebt gelijk; de lieden over wie je hebt verdienen geen enkel medelijden of respect. Zij vormen een soort nieuwe nomenklatoera (op z'n Sovjets).
Jammer dat zoiets je op de site van BON op reprimandes zou komen te staan.
 
18-01-2012, reactie van moby
Lukt het reageren nu wel of niet? Waari is mijn eerdere reacie gebleven?
  ----------
Datum: 12-01-2012
 
 
Het SCP rapport en wat Jeronimoon schreef op 12-12-2010



Er moet GEEN geld bij.

Als uit de radio het woordje onderwijs klinkt kan je er donder op zeggen dat er binnen het kwartier een reactie komt met als boodschap ‘er moet geld bij’. Een fenomeen dat zich niet alleen voordoet met onderwijs maar ook met de zorg, politie, openbaar vervoer en meer van dat soort geprivatiseerde aan de markt overgelaten instellingen. Telkens moet ik dan denken aan mezelf als jonge knaap. Ik moest in mijn jonge noden voorzien met vijf gulden zakgeld per week. Wat natuurlijk nooit genoeg was om te voldoen aan de wekelijkse behoeften en al zeker niet als ik op de leeftijd was gekomen om daar ook nog een vriendinnetje van te scoren. Stoute schoenen genoeg om aan te trekken, en zelfbewust ging ik moeder duidelijk maken dat er meer geld bij moest. Mijn moeder was te allen tijde bereid om mij, haar oogappel, bij te staan in financieel barre tijden en vroeg dan als eerste ‘ vertel eerst even waar heb je die vijf gulden zakgeld dan al aan uit gegeven’. Het gevolg was een acute aanval van stotteritis en stamelziekte waarbij de tong en kaken rare bewegingen beginnen te maken waardoor er een stroom van onsamenhangende zinnen die niemand meer begrijpt uit de mondholte stromen.

Als gewoon docentje dat al een tijdje meeloopt in het onderwijs heb ik mij dikwijls afgevraagd waarom er altijd maar geld bij moet. Laat ik het maar even op een rijtje zetten. Elke school of onderwijsinstelling van het land van basisschool tot universiteit krijgt elk jaar een zak belastinggeld van onze overheid. Daarnaast heeft de instelling nog een tweede geldstroom die geïnd wordt bij de ouders , leerling of student zelf. Denken we hierbij aan vrijwillige ouderbijdragen, borg voor de gratis schoolboeken, copykaarten voor de studenten enz… Dan is er nog een derde geldstroom in de vorm van subsidies voor projecten en onderzoeken, ESF projecten, FES gelden ( van de aardgasbaten) en andere douceurtjes uit de rijk gevulde overheidssubsidiepot. De vierde geldstroom zijn de opbrengsten uit beleggingen, sponsorgelden van bedrijven en gelden uit de verkoop van oude gebouwen en bijhorende bouwgrond, meestal op erg gewilde en dure plaatsen in stad of gemeente. Vraag is dan ‘waar gaat al dat geld naar toe?’

Samen met de fusies en de vorming van de megascholen verdwenen er in dit land honderden, zoniet duizenden schoolgebouwen verspreid over het hele land en samen met deze gebouwen ook een deel van de inhoud. Duizenden directeuren, rectoren, conrectoren en de hele administratieve aanhang verdween. Opeenvolgende reorganisaties deden nog eens duizenden docenten en leraren de das om. Velen mochten met een kartonnen handdruk voortijdig afscheid nemen van hun leerlingen en school, anderen werden door middel van sociale plannen aan een andere baan in het bedrijfsleven geholpen. De wet BIO en de bekwaamheidseisen die in de plaats kwamen van de bevoegdheidseisen zette de deuren van de scholen wagen wijd open voor Beun de Haas. Als Beun goedkoper was en als instructeur, klasseassisstent, coach, leerregisseur, leerstofbegeleider of andersoortige oppasser, de uitgeklede taak van de bevoegde en daardoor dure docent kon overnemen, was hij welkom.

Aan de andere kant zagen we een explosie van administratieve functies en managers. Laat ik het voorbeeld nemen van een doorsnee school voor voortgezet onderwijs, maar hou in uw achterhoofd dat dit ook geldt voor een doorsnee ROC, een doorsnee hogeschool en tegenwoordig ook een doorsnee samenwerkingsverband van basisscholen. Vóór de fusies bestond deze doorsnee gefuseerde school uit zeven scholen voor voortgezet onderwijs die elkaar beconcurreerden op kwaliteit. Zeven scholen met elk een directeur of een rector. Meestal maar niet altijd één conrector of onderdirecteur. Elke school had een kleine administratie bestaande uit één of twee personen in een uitzonderlijk geval drie. En niet te vergeten allen hadden ze een conciërge misschien twee. De hoogste schaal die te bereiken was als rector was schaal 14. Zeven scholen dus zeven gebouwen. We zijn vijftien jaar verder. Het leerlingenaantal van de gefuseerde scholen is hoegenaamd niet vermeerderd of verminderd, maar toch zijn er een aantal forse veranderingen te ontdekken. Er zijn nu nog vijf schoolgebouwen waarvan één nieuw onder architectuur gebouwd. In de school zijn teams gevormd met een teammanager die vrijgesteld is van lesgeven. Boven de teammanager staan twee coördinatoren, één onderwijscoördinator en één organisatiecoördinator. Deze worden aangestuurd door of de onderwijs directeur of de organisatiedirecteur. Elke school telt een minstens zeskoppige administratie en de conciërge hoort nu bij het bedrijfsbureau dat bovenschools wordt aangestuurd. Het bovenschoolse team bestaat uit sectordirecteuren en een raad van bestuur. Deze management- elite heeft een eigen gebouw ter beschikking waar elk jaar wel wat aan verbouwd wordt om plaatst te creëren voor een steeds uitdijende administratie. Géén van de zeven scholen had iemand die de titel PR medewerker of beleidsmedewerker droeg. Nu zijn er elke dag zes PR medewerkers en acht beleidsmedewerkers aanwezig, niemand van het docentencorps heeft ook maar enig idee wat deze mensen uitvoeren, voor méér leerlingen, betere werkomstandigheden, minder werkdruk en andere dingen die het vak leuk maken zorgen ze in elk geval niet.

Dan heb ik het nog niet gehad over een PO-raad, VO- raad, MBO- raad, HBO- raad die lijken op grote zwarte gaten waar jaarlijks tientallen miljoenen onderwijsgeld in verdwijnen en die als taak hebben de woordvoerder van de werkgevers te zijn. Ook heb ik het niet gehad over de raden van bestuur die zich allemaal voorzien hebben van hét statussymbool van de afgelopen jaren, de auto met chauffeur en die in de plaats van schaaltje 14 dat stond voor ongeveer 120.000 gulden zich voorzien hebben van de CEO poet van minimaal 150.000 euro, ik hoef het toch niet om te rekenen, dat kunnen jullie zelf wel. En dan wil ik het niet eens hebben over de ongeveer zes miljard euro die her en der in beleggingsrekeningen, aandelen, obligaties en andersoortige Icessave winstverdriedubbelaars zijn geïnvesteerd en dat oorspronkelijk bedoeld was om de Nederlandse jeugd van een degelijke en kwalitatieve opleiding te voorzien. Om nog maar te zwijgen over de onophoudelijke geldstroom van onderwijs naar adviesbureautjes, organisatiebureautjes, NLP bureautjes, opleidingsbureautjes, geschifte onderwijsdeskundologen en andersoortige betweterige onderwijsprofiteurtjes.

Onze vorige minister, die van feesten en partijen, u weet wel, heb ik ooit eens geschreven dat hij tegen deze om- meer- geld- roepers moet zeggen ‘ik kan u wel geven wat u nodig hebt, maar niet wat u vraagt’. Daar wil ik met enige gretigheid voor deze ministeresse aan toe voegen ‘vertel eerst eens, wat jullie met al dat andere geld hebben gedaan’. En dan maar hopen dat de stotteritis en stamelziekte niet toeslaan.

J.Jeronimoon

----------
 
Datum: 10-01-2012
 
  Het is het taakbeleid! Domoor!



‘Leraren in het voortgezet onderwijs staken voor meer vakantie en minder lesuren.’ Blokletterde de krant. ‘De docent eist vooral respect.’ Schreef Ferry Haan in zijn column in de volkskrant. ‘Hoe is het mogelijk, twee weken vakantie net achter de rug en nu alweer niet werken, luie donders die docenten.’ Twitterde een onbekende. ‘Ik sta hier omdat ik opkom voor mijn leerlingen.’ Zei een staker.



Aan alle vier de uitspraken hangt een geurtje van de klepel en de klok. Dat er niet gestaakt wordt voor meer vakantie en minder lesuren mag duidelijk zijn. Immers in de cao is vastgelegd dat de normjaartaak bestaat uit 1659 klokuren, punt. Of de leerling nu 1000 uur les krijgt of 1040 of voor mijn part 1250 dat maakt niets uit wat betreft het aantal uren in de normjaartaak van de docent.



Dat de docent respect eist, net als de schoonmakers, daar heeft Ferry een punt maar de respectloosheid is al jaren een sluipende beweging in het onderwijs en niet zozeer respectloosheid door ouders en leerlingen maar door bestuurders en managers die al jarenlang het onderste uit de kan willen en daarvoor zonder enig probleem de werkdruk verhogen door middel van diezelfde normjaartaak en taakbeleid.



De respectloosheid van de twitteraar is de respectloosheid van de domme en in principe te negeren. Toch geeft hij of zij hiermee een beeld dat al jaren opgang doet bij de man of vrouw in de straat. Veel vakanties, hoge lonen en een beetje ouwehoeren overdag met een groepje jongens en meisjes. Akkoord, iedereen in het onderwijs weet dat het anders ligt maar dat beeld wordt wel door het volstrekt misplaatst moment van staken, uitgeroepen door de vakbond(je) Leraren in Actie, versterkt. Als LIA ballen had dan hadden ze een staking uitgeroepen op de eerste, de derde en de laatste dag van de centraal examens in het voortgezet onderwijs. Maar zelfs de machtige AOB durft dat niet eens aan.



En de docent die opkomt voor zijn leerlingen en daarom gaat staken, tja, die heeft het al helemaal niet begrepen. Het zijn niet die 1040 lesuren die de werkdruk verhogen, het is het taakbeleid! Domoor.

Het taakbeleid of taakbelastingbeleid is ingevoerd om ‘de bijkomende taken eerlijk te verdelen onder alle docenten’. Waar een docent vóór de invoering van het taakbeleid nog gewoon docent was en alles wat daarbij hoorde zoals lesgeven, les voorbereiden, nakijkwerk, sectieoverleg, bijscholing, mentoraat, leerlingbegeleiding, ouderavond, enz… uitvoerde zonder morren want dat was nou eenmaal inherent aan het beroep van docent, werd met het taakbeleid alle klusjes benoemd en voorzien van een factor ‘tijd’. De tijd die stond voor alle klusjes bij elkaar bedroeg bij invoering van het taakbeleid 1710 uur, twee jaar later werd dat aangepast naar 1659 uur.



Die 1659 werd uitgesmeerd over 40 weken. 52 weken in een jaar waarvan 12 weken vakantie, dus 40 werkweken. De snelle rekenaar heeft al door dat een werkweek voor een docent dan 41,50 uur bedraagt. En dat in een tijd waar de gemiddelde Nederlander in het bedrijfsleven maar 36 uur per week aan de arbeid is. Maar die 40 weken waren een doorn in het oog van de manager. Het klopte niet vonden ze. In het begin van het schooljaar werd er nog geen les gegeven, op het einde van het schooljaar ook al niet en de docenten met examenklassen waren al klaar eind mei na het centraal examen. Al snel werd er gerekend dat het eigenlijk 38 werkweken waren en bestuurder en manager pasten het taakbeleid aan naar 38 weken. Gevolg hiervan, de docent kreeg dezelfde taken toebedeeld met dezelfde normjaartaak in twee weken minder en zijn werkweek steeg naar 43.70 uur per week. Er zijn scholen die het nog bonter maken. Proefwerkweken, verplichtte studiedagen, en andere ‘dingetjes’ worden gerekend tot ‘niet lesgeven’ waardoor de weekfactor op 36 is komen te staan, of te wel werkweken van 46 uur.



Dat al dat schuiven met weken de manager ook nog eens sloten poen oplevert zal ik in een andere bijdrage nog eens proberen duidelijk te maken, maar nu blijven we bij de werkdruk. Duidelijk is dat het de bestuurder en de manager is die in de afgelopen jaren met het taakbeleid in de hand de werkdruk alsmaar opvoerde. Docenten maken officieel werkweken van ongeveer 44 uur per week. En als u nu denkt dat een weekje minder vakantie het aantal werkweken verhoogt dan hebt u buiten de creativiteit van de bestuurder gerekend die al snel die ene week zal bestempelen als ‘vergader- en voorbereidingsweek’ waardoor het aantal werkweken ondanks één week méér ( of een week minder vakantie) hetzelfde zal blijven als nu. Kortom, staken voor een week vakantie en een urennorm voor leerlingen is onzinnig.



Als LIA en AOB en CNV echt iets willen doen aan die werkdruk, dan gaan ze voor aanpassing, verandering of afschaffing van het taakbeleid maar dan moeten ze er wel rekening mee houden dat de tegenstand van Sjoerd Slagter en companen zó groot zal zijn dat staken tijdens de centrale examens méér dan alleen maar in overweging genomen zal moeten worden.



Jesse Jeronimoon


----------
 
Datum: 8-01-2012
 
 

MBO is een doorgangshuis.



Vijftien procent van de onderwijsgevenden in het Middelbaar Beroeps Onderwijs staan onbevoegd voor de klas. Dan hebben we het toch als snel over een kleine achtduizend personen die op verjaarspartijtjes en andere gezellige bijeenkomsten het bijeengekomen gezelschap jaloers maken met verhalen over lange vakanties, korte werktijden en hoge lonen en dat je helemaal geen diploma nodig hebt om voor de klas te mogen staan. De helft is niet eens van plan om ook maar enige verdere scholing te volgen om zich in het docentschap te bekwamen. De helft van de nieuwe docenten in het MBO stromen in vanuit de praktijk. Het bedrijfsleven stoot in deze tijd van crisis zijn werknemers uit en een deel daarvan zoekt zijn heil in het onderwijs. Daarbij kiezen ze voor de sector die op dit ogenblik het minste eisen stelt aan kennis, opleiding en kunde. Net zoals de leerlingen staan ook voor de docent het aantal ‘competenties’ garant voor een glansrijke loopbaan.



Dat het MBO en de maatschappij op korte termijn dit lakse gedrag wat betreft personeelsbeleid duur zal moeten betalen staat buiten kijf. Niet voor niets kwalificeert het rapport over de arbeidsmarktanalyse het MBO als een ‘open arbeidsmarkt’. Het MBO blijkt niet alleen een opvangcentrum voor elders uitgerangeerde werknemers te zijn, maar ook een gigantisch doorgangshuis. Binnen de vier jaar houdt meer dan vijftig procent het dan ook al weer gezien in het onderwijs en verhuizen alweer naar het bedrijfsleven. De lange vakanties, de korte werktijden en de hoge lonen van het begin van het werkzame leven in het onderwijs blijken na een tijdje vooral lange en drukke werkdagen, weinig autonomie en zeggenschap over de eigen taak, dat hoge loon is maar tijdelijk want promotie zit er niet in, bemoeizuchtige managers en die lange vakanties blijken nogal tegen te vallen want de manager, de leerling en de ouders verwachten eigenlijk ‘altijd bereikbaarheid’ ook in de vakanties. Nog geen vijftig procent van het onderwijzend personeel blijkt tevreden te zijn met zijn school en management. Weer een reden om zo snel mogelijk te verkassen naar een ‘leuke’ baan in het bedrijfsleven.



Als we de leeftijdsopbouw in het MBO onder het vergrootglas leggen moeten we concluderen dat binnen nu en vijf jaar een dikke vijfendertig procent het onderwijs zal verlaten. Vijfendertig procent hoger opgeleide, bevoegde, ervaren docenten zullen het onderwijs verlaten en zoals het er nu naar uitziet vervangen worden door lager opgeleide, onbevoegde en onervaren coaches, instructeurs, leerregisseurs, onderwijsassisstenten, leerlingopleiders en andere moderne meuk die zichzelf allemaal onderwijsgevenden mogen noemen.



Er staat het MBO een enorme ‘braindrain’ te wachten nu er een begin wordt gemaakt met de grote uitstroom van goed opgeleide bevoegde docenten. Hiermee verdwijnt als het ware een ‘collectief onderwijsgeheugen’ van goed, doordacht, kundig, kennisrijk middelbaar beroeps onderwijs. De uitstroom wordt vervangen door avonturiers die binnen de vijf jaar alweer verkassen zodat er geen opbouw van een ‘collectief onderwijsgeheugen’ mogelijk is.



Nog een jaartje of tien is de schatting en dan is het onderwijs in het MBO wat betreft niveau vergelijkbaar met het niveau van de bedrijfsopleiding en het ‘leerling-gezel model’ uit de jaren dertig-vijftig uit vorige eeuw. Dan heeft de ‘inhaalslag naar de toekomst’ waar de onderwijsbestuurderen zo trots op was bij het begin van de competentieonzin, plaatsgemaakt voor de keiharde realiteit uit de helft van vorige eeuw.



Jesse Jeronimoon


----------
 
Datum: 3-01-2012
 
  De onderwijscoöperatie.



Laat ik vooraf duidelijk stellen dat ik niet anti-onderwijscoöperatie ben, het tegendeel is waar. Dit om alle misverstanden in de toekomst te vermijden, want er zullen nog wel meer columns komen waarin de onderwijscoöperatie zich mag verheugen onderwerp van het fileermes te zijn.



In de onderwijsgeschiedenis van de afgelopen pakweg 60 jaar zijn er een aantal momenten aan te geven waarop het onderwijs in Nederland gewild of ongewild een metamorfose doormaakte. We kennen die momenten allemaal 1968: invoering van de mammoetwet, 1985: de HOS nota, vanaf 1990: de decentralisering en het overdragen van het onderwijsbestuur van overheid naar schoolbesturen gepaard gaande met een ander bekostigingssysteem in universiteit en HBO, de fusies en in 1995:de invoering van de lumpsum bekostiging in het VO. 2000: de invoering van studiehuis, de leerwegen en de vorming van vmbo waardoor de mavo verdwijnt. Hervorming van het speciaal onderwijs waardoor LOM, MLK, ZMLK verdwijnen en opgaan in praktijkonderwijs, REC’s en hun vier clusters. Vanaf 2005: invoering van het CGO in MBO in navolging van het HBO dat zich eerder bekeerde tot de competentiewaanzin. Dit alles gepaard gaande met een vermindering van de onderwijstijd in het MBO met bijna 50% ten faveure van de beroepspraktijkvorming of te wel de stage. En binnen afzienbare tijd de invoering van het passend onderwijs in het basisonderwijs.

Dit alles zijn ‘momenten’ die van wezenlijke invloed waren op de inrichting van het onderwijsgebouw in Nederland. Zoals we zien in bovenstaande (onvolledige) opsomming ‘versnelt’ het proces van onderwijsverandering. Mede oorzaak van deze versnelling zijn de ,in mijn ogen, ‘onderwijsexterne’ groepen die alle veranderingsprocessen in goede banen hadden moeten leiden. Denken we hierbij aan de raden, de samenwerkingsverbanden in het basisonderwijs die WSNS hadden moeten begeleiden, de explosieve groei van adviseurs, externe deskundigen, onderwijsdeskundologen enz…



Een kwalijke ontwikkeling in dit alles is de, weliswaar niet al te grote, stijging van de begroting voor het onderwijs en tegelijkertijd de daling van de investering in het primaire proces. Voor de insiders niet verwonderlijk. Dat het proces van autonomisering en verzelfstandiging tot een onhoudbare groei van bureaucratie heeft geleidt is moeilijk te ontkennen. En dat niet alleen, ook zagen we de ‘gelukkige, goedbetaalde, uitstekend opgeleidde en maatschappelijk gewaardeerde leraar’ werkzaam in een dynamische en sociale werkomgeving verworden tot een vermoeide, slecht beloonde, slecht opgeleidde en maatschappelijk ondergewaardeerde werknemer, werkzaam in een statische, overgecontroleerde, bureaucratische werkomgeving die gekenmerkt wordt door intimiderend, zelfzuchtig en op winst belust gedrag, kortom een a-sociale werkgever.



Typerend voor dit alles is dat elke ‘momentum’ op zichzelf geïnitieerd is door overheid, bestuur, of zoals Theo het zo vriendelijk kon uitdrukken ‘de boven ons gestelden’ en daarom is de onderwijscoöperatie mij een lief ding waard.



Maar we mogen niet vergeten dat de coöperatie de vervanger wordt van de SBL. Er wordt dus voor de eerste keer in de onderwijsgeschiedenis van de afgelopen 60 jaar een overlegorgaan gevormd dat haaks staat op de andere overlegorganen. De onderwijscoöperatie is er voor en door docenten. Geen top-bottom, geen visionaire bestuurderen, geen externe adviseursclubjes, geen met dedain omhangen onderwijsdeskundologen. Maar voor het overgrote deel mensen met de figuurlijke modder aan de voeten, is ons beloofd.



De onderwijscoöperatie zit op dezelfde stoel als de SBL. Dat was toch het clubje van de wet BIO, het clubje van bekwaamheid boven bevoegdheid, de slippendragers van de raden, de financiers van rare CGO-adepten die konden uitgroeien tot toonaangevende onderwijsvernieuwers zoals het COLO, het consortium beroepsonderwijs, de bedenkers van het passend onderwijs, en vooral was de SBL de hoeders voor de vriendjes van de scholingsinstituten APS, KPC, Fontys enz… Bedenk dat de onderwijscoöperatie op dezelfde stoel zit, op dezelfde troon.



En aan de stoel hangt automatisch een macht-en krachtenveld vast. Een veld dat in staat is onderwijs te veranderen, nu en in de toekomst, als en let op het woordje ‘als’ er goed wordt omgegaan met de mogelijkheden die dit veld biedt. Want in het krachtenveld dat ontstaat of zal ontstaan, zal iedereen zijn eigen ( verenigings) graantje mee zal willen pikken. En op dat ogenblik komen politiek, onderhandelingstactieken, win-win situaties, ‘partnerschap in crime’ enz… om de hoek kijken. In hoeverre de onderwijscoöperatie binnen dat krachtenveld ‘zichzelf’ of tienduizenden docenten , leraren,onderwijzers en andere onderwijsgevenden dan zal vertegenwoordigen, zal de toekomst uitwijzen.



Feit is dat door de oprichting van de onderwijscoöperatie een ‘momentum’ is ontstaan enig in de onderwijsgeschiedenis van Nederland. Een moment waarin het onderwijs een andere richting wordt uitgestuurd. Dat moeten en willen wij ons niet laten afnemen in ruil voor het simpele mogen aanzitten aan de onderhandelingstafel. Het is ‘ons moment’ en ik zie het als mijn taak om als columnist de coöperatie bij de les te houden. Niet met hoogdravende academische discussie maar met de taal die iedereen begrijpt de taal van de nar, de taal van de domme.



‘Want voor velen ben ik de domme, de nar. Graag vervul ik deze rol omdat de domme in verleden en heden altijd een welkome gast was en is. De domme is namelijk de spiegel van alle dwaasheden, de zondebok voor alle hoogmoed, het kanonnenvoer, de pap om het zout en de duisternis in het licht. Zonder zijn weefgetouw kan geen enkel tapijt nog vliegen.’





Jesse Jeronimoon
----------
 
Datum: 29-12-2011
 
  De onderwijsbobo’s en de onderwijsnono’s



Onze minister van onderwijs moet voor haar dagelijks advies wat betreft verbetering, vernieuwing en verandering van het onderwijs te rade bij een laag van onderwijsbobo’s en onderwijsnono’s. Een laag die bestaat uit een deken van natte schimmel die tot in de kleinste haarvaatjes van het verrotte onderwijssysteem haar walmende adembenemende stank verspreidt. De symbiose tussen de bobo’s en de nono’s heeft de afgelopen jaren een verwoestende indruk nagelaten op alles wat enigszins maar met onderwijs te maken heeft.



De onderwijsbobo’s doen dat waar ze goed in zijn, namelijk bobo zijn. Ze noemen zichzelf bestuurder, onderwijs-CEO of voorzitter van de raad van bestuur want dan lijkt het of ze opperbobo zijn. Het onderwijs lijkt wel een afvalbak geworden voor uitvreters, lijntjestrekkers en hobbyisten. Bobo’s die zonder enige kennis van onderwijs vanuit een andere bestuurdersstoel plaatsnemen op het onderwijspluche en als groot onbenul in deze comfortabele positie een gewichtig smoelwerk trekken. Het mag vanzelf spreken dat het merendeel van deze bobo’s in al hun ijdelheid al te veel in de verleiding komen om meningen te uiten die de grenzen van hun hersenoppervlak ver te buiten gaan. Het is de soort dat dwang als enige vorm van besturen ziet, vrijwilligheid en medemenselijkheid komt in het woordenboek van deze feodale heersers niet voor. Voorzitters van raden van bestuur die er de afgelopen jaren alles aan hebben gedaan om hun geldzucht te stillen en het hele onderwijscircus dol te draaien met hun zogenaamde subtiele gedachtegang over waar het met het Nederlandse Onderwijs naar toe moest om klaar te zijn voor de toekomst. Maar nadenken over onderwijs is niet voor iedereen weggelegd en zeker niet voor de bestuurder in zijn ivoren toren. Daarom hebben zij zich in de loop der jaren omringd met de onderwijsnono’s



Het is een slag apart de onderwijsnono. Niet zozeer die kleine graaier die net op tijd aanvoelde dat in het onderwijs een goed belegde boterham op hem of haar te wachten stond. Die voorleesmoeder met twee jaar ervaring die zich van de ene op de andere dag trots ‘ onderwijsdeskundige’ noemde. Of de zweefteef in het bezit van een dyslectisch ‘sterrenkind’ met ADHD-achtige verschijnselen die de juf of meester voor de klas gratis van advies diende wat betreft de aanpak van deze vroeg begaafde talentjes. Of de keukenboer die na zijn faillissement op de puinhopen van de keukenkastjes zich het onderwijsjargon van de échte nono aanleerde en een goed lopend onderwijsadviesbureautje startte en nu zijn adviezen verkoopt als ware het keukenbenodigdheden. Nee, de échte nono heeft gestudeerd en was orthopedagoog, of gewone pedagoog, of eerst ‘sosjoloog’ daarna ‘sosjale psycho